Johannes aan de zeven kerken in Asia. Genade zij u en vrede van Hem die is en die was en die komt, en van de zeven geesten voor zijn troon, en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden en de vorst van de koningen der aarde.
Aan Hem die ons liefheeft en van de zonden heeft verlost door zijn bloed, die ons gemaakt heeft tot een koninklijk geslacht van priesters voor zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de macht in de eeuwen der eeuwen! Amen.
Ik, Johannes, raakte in geestvervoering op de dag des Heren, en ik hoorde achter mij een stem, luid als een trompet.
Ik keerde mij om om te zien wie mij had aangesproken. En toen ik mij omkeerde, zag ik zeven gouden luchters, en tussen de luchters iemand als een mensenzoon, gekleed in een gewaad dat tot de voeten reikte, het middel omgord met een gouden gordel. Zijn hoofd en haren waren als sneeuwwitte wol, en zijn ogen vlamden als vuur. Zijn voeten waren als koperbrons dat in de oven is gegloeid, en zijn stem klonk als het gedruis van vele wateren. In zijn rechterhand had Hij zeven sterren, en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard. En zijn gelaat schitterde als de zon in haar kracht.
Toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten. Maar Hij legde zijn rechterhand op mij en sprak: ‘Vrees niet. Ik ben het, de eerste en de laatste, de levende. Ik was dood, en zie, Ik leef in de eeuwen der eeuwen. En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.
En wie overwint, wie tot het einde mijn wil blijft doen, hem zal Ik macht geven over de heidenen, gelijk ook Ik die macht van mijn Vader heb ontvangen, en Ik zal hem de morgenster geven.
En Ik zal zijn naam niet uitwissen uit het boek des levens, maar zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen.
Ik zal hem maken tot een zuil in de tempel van mijn God; die zal hij nimmermeer verlaten. En Ik grif op hem de naam van mijn God en de naam van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat van mijn God uit de hemel neerdaalt, en de nieuwe naam die Ik draag.
Ik sta voor de deur en ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij. Wie overwint, hem zal Ik naast Mij plaatsen op mijn troon, zoals Ikzelf heb overwonnen en met mijn Vader zetel op zijn troon.